Buiten/Heilig

Achterstallig onderhoud

Je zou bijna denken dat ik gestopt was met schrijven, zo lang is het hier rustig gebleven. Nou is stoppen met schrijven voor mij niet echt een optie; daarvoor doe ik het te graag. Maar het is inderdaad lang geleden dat ik hier wat van mijn schrijfsels heb gepost. Ik loop in elk geval twee columns achter, die in juli resp. oktober afgedrukt zijn in het magazine van de Protestantse Gemeente Groningen, Kerk in Stad geheten. Laat ik die dan in elk geval ook hier plaatsen, en me verder voornemen gauw weer een ‘gewone’ blog te schrijven.

Beeld(ende)/schone kunst

Een twitterbericht (tweet in de volksmond) van iemand die ik ken: ze verblijft in het snikhete Madrid (47 graden), foto erbij van de musea die ze bezocht heeft. Je zou met zulke temperaturen alleen al daarom verkoeling zoeken in een museum met airconditioning. Maar er zijn meer redenen om in de Spaanse hoofdstad het Museo Nacional del Prado en het Centro de Arte Reina Sofía te bezoeken. De tweet flitst mij een jaar of vijftien terug in de tijd, toen echtgenoot en ik een lang weekend in Madrid hebben rondgedwaald. Ik werkte toen nog voor een organisatie die cultuurvakanties verkocht, waardoor we ons dit tripje tegen iets gereduceerd tarief konden veroorloven.

Ook wij bezochten de beroemdste musea van de stad; zoveel was ik wel aan mijn stand verplicht. Het Prado is alleen al een must vanwege de enorme collectie aan topstukken uit vele eeuwen schilderkunst, uit zowel Spanje als tal van andere landen. Prachtige werken, het ene nog realistischer dan het andere, schetsen een indrukwekkend beeld van de geschiedenis van de schilderkunst.

Het Reina Sofía staat vooral bekend om zijn moderne werken; denk aan Salvador Dalí, Joan Miró en niet te vergeten Pablo Picasso. Typisch van die schilders van wie je de werken niet zomaar tot de ‘schone kunsten’ rekent, omdat ze ook iets aanstootgevends of simpel onbegrijpelijks uitstralen. ‘Je moet ervan houden’, zou mijn vader wel zeggen. Maar juist in dit museum ervoeren we dat (beeldende) kunst soms heel andere dingen bij je op kan roepen dan bewondering voor een mooi plaatje of een virtuoze penseeltechniek. Daarvoor kan het nuttig of nodig zijn wat meer te weten over de ontstaansgeschiedenis van zo’n kunstwerk. In het Reina Sofia ervoeren we de kracht van die informatie aan de hand van ‘Guernica’, het enorme doek in zwart-wit en grijstinten dat Picasso schilderde in 1937. Het plaatje op zich is overbekend: één grote chaos van gezichten en beestenkoppen, bepaald niet natuurgetrouw weergegeven.

Wij werden naar dit schilderij van zevenenhalf bij drieënhalve meter toe geleid langs een serie voorstudies op ongeveer A4-formaat. Elk A4tje bevatte een onderdeel van wat later het grote werk zou worden. De datum waarop Picasso het betreffende stukje ‘Guernica’ had ontworpen was erbij gezet.

Guernica, een vredig plaatsje in Baskenland, werd in de Spaanse Burgeroorlog op 26 april 1937 in no-time met de grond gelijk gemaakt. Op 4 juni van datzelfde jaar had Picasso zijn ‘Guernica’ klaar. Binnen anderhalve maand had hij zijn uitzinnige woede over dit totaal zinloze geweld op doek weten te krijgen. In elk van de voorstudies zat een stukje van die woede, die verbijstering over zoveel leed dat mensen elkaar kunnen aandoen. En toen we al die stukjes hadden gezien, en het tijdsbestek goed op ons in hadden laten werken, stonden we dan eindelijk voor dat immense schilderij, waarin al die voorstudies hun plek hadden gekregen en waaruit de heilige razernij ons toeschreeuwde.

Mooi’ vind ik het nog steeds niet, wel beschouw ik Picasso sindsdien als een groot kunstenaar. Maar als u/je ooit in Madrid bent: bezoek beide musea en oordeel zelf.

P1040321

tegeltableau in Guernica/Gernika

 

Dat was afgelopen zomer – hieronder die van twee weken geleden.

Kerkenwerk, liefdewerk, oud papier

Dezer dagen trad ik officieel af als ambtsdrager in mijn wijkkerk. Dat gebeurt bij ons niet geruisloos, maar daar wordt aandacht aan besteed in een kerkdienst. De dominee roept je naar voren, houdt een kort toespraakje waarin belicht wordt wat je als ambtsdrager hebt gedaan en overhandigt je namens de gemeente een kaars als symbool van het licht dat je hebt verspreid. En na de dienst sta je naast dominee en ouderling zodat ieder die dat wil, je de hand kan schudden.

Ik voelde me daar eerlijk gezegd een beetje ongemakkelijk bij, en heus niet omdat ik niet graag in het middelpunt van de belangstelling sta – dát vind ik op zijn tijd namelijk best leuk. Alleen: het is enerzijds niet zo dat ik als ambteloos burger nu niks meer doe in de kerk. Zoals waarschijnlijk de meesten in onze wijkgemeente heb ik nóg een paar taken en taakjes, en die blijf ik ook gewoon doen.

Maar aan de andere kant: kerk zijn kún je niet zonder vrijwilligers. Met zo’n zin trap ik natuurlijk een open deur in – we kunnen geen betaalde krachten inhuren voor alle taken en functies, daar is de kerk lang niet kapitaalkrachtig genoeg (meer) voor. Afgezien daarvan ligt het in de aard en het wezen van het kerkenwerk dat het door vrijwilligers wordt gedaan. Omzien naar elkaar is immers de taak en functie van alle gelovigen, dat is wat mij betreft de belangrijkste bestaansgrond van de kerk.

Punt is dat iedereen dat op zijn/haar eigen manier doet – ‘jij in jouw klein hoekje, en ik in ‘t mijn’, zongen we vroeger. En waarom zou ik dan zo’n mooie kaars krijgen als ik één taak afstoot omdat ik die niet langer kan combineren met mijn werk? Ik ben er een beetje verlegen mee. We doen toch allemaal wat we kunnen, hoop ik? Misschien moet ik de kaars maar doorgeven aan iemand die nog nooit een ambt heeft bekleed, maar zonder wie het kerkenwerk in onze wijkgemeente toch een stuk stroever zou verlopen dan het nu doet.

We zijn als kerk trouwens niet de enige organisatie die het van vrijwilligers moet hebben. Wat dat betreft zijn het rare tijden: er wordt van ons als volwassen burgers van een zorgzame samenleving van alles verwacht, maar ondertussen moeten we ook tot op latere leeftijd deelnemen aan het arbeidsproces om de economie draaiende te kunnen houden. Eigenlijk is het geen wonder dat er regelmatig mensen bezwijken onder de druk van alle lasten en plichten die ons van alle kanten worden opgelegd.

En net zo min is het een wonder dat het moeilijk is om mensen te vinden voor alle taken die we onszelf als kerk opleggen. Ook de kerk zal moeten leren niet verder te willen springen dan haar polsstok lang is. We kunnen prachtige beleidsplannen schrijven en toekomstvisiestukken opstellen, maar laten we als gemeente van Christus ook, of vooral, blijven omzien naar elkaar. En laten we elkaar ook zeker de tijd gunnen om onze broodnodige rust te krijgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s